In graven uit predynastieke tijd reeds zijn bewijzen gevonden dat Egyptenaren cosmetica gebruikten. Naast make-up en oogverf gaat het daarbij om oliën, zalf en parfum. Ook zijn in graven talloze toiletartikelen gevonden, zoals spiegels, kammen, parfumflesjes en buisjes voor oogverf. Ook de grondstoffen voor bijvoorbeeld oogverf, zoals malachiet en galeniet (loodglans), zijn in ruwe vorm aangetroffen. Voor een belangrijk deel had het gebruik van cosmetica tot doel het lichaam te beschermen tegen kwade invloeden; oogverf bijvoorbeeld werd aangebracht tegen vliegen en verblinding, maar kwam ook voor als ingrediënt in allerlei recepten tegen oogziekten. Olie en zalf werd aangewend om in het warme en droge klimaat van Egypte de huid soepel te houden. Daarom werd cosmetica niet alleen door vrouwen gebruikt, maar ook door mannen. Niettemin speelde ook het verfraaien van het lichaam wel degelijk een rol. De lippen werden bijvoorbeeld wel geverfd, zoals blijkt uit een afbeelding in de zogenaamde erotische papyrus, nu in het Egyptisch Museum van Turijn. Hierin is een vrouw afgebeeld terwijl zij met een kwastje haar lippen bewerkt. Een reliëf uit het Middenrijk toont een vrouw die poeder of rouge op haar wangen aanbrengt. In graven zijn verder paletten gevonden met resten rode oker. Vermengd met een of andere vettige substantie kon dit op het gezicht aangebracht worden. Ook uit (medische) papyri kennen we teksten die te maken hebben met de verzorging van het uiterlijk, zoals recepten tegen grijs haar of ongewenste haargroei, voor verfraaiing van de huid en dergelijke.